Retour Vorige pagina

      Rooswijk was tegen Velsen Noord aan gebouwd, aan het Rooswijkerlaantje, dat in het verlengde
      van de Grote Hout of Koningsweg lag, op een goeie honderd meter vanaf de Wenckebachstraat.

    • ‘k Ben Rooswijck, en ick wijck (= ontwijk) noch lelien nog roosen,
      Soo geestigh groeit mijn jeught, soo jeughdigh bloeit mijn bloosen,
    • ‘k Wijck echter roosen, maar de roosen die in schijn, vol van bevaligheyt,
      doch vol van onlust sijn, ‘k Wijck sorgen van het Hof, en ga mijn wandelpaden,
    • Met roosen, lelien, met vrucht en fruyt beladen, Doorsoecken en doorsien, kom naader my en kijck,
      Hoe ik de roosen soeck, daar ick de roosen wijck.
      Uit: Hollantsche Parnas of Verscheide gedichten;
      Gerijmd door J. Westerbaen, J. v. Vondel, J. Vos, G.Bant, R. Ansloo. Eerste deel 1660.

      Lees verder